VAN KRIJGEN NAAR VERDIENEN
Voorstel voor een eenvoudiger en evenwichtiger Nederlands belastingstelsel
Budgetneutraal: minder belasting op arbeid en ondernemerschap, meer belasting op grote verkrijgingen zonder tegenprestatie.
Niet links tegen rechts, maar samen voor een vrije en democratische rechtsstaat.
1. De kern
Het belastingstelsel moet onderscheid maken tussen wat iemand zelf economisch presteert, wat vermogen werkelijk opbrengt, wat iemand bezit en wat iemand zonder economische tegenprestatie verkrijgt.
Belast economische opbrengst wanneer die ontstaat. Belast substantiële particuliere vermogensoverdracht wanneer iemand vermogen zonder tegenprestatie verkrijgt. Belast het enkele bezit van vermogen niet.
Het voorstel verschuift daarmee belastingdruk van verdienen en ondernemen naar grote verkrijgingen zonder tegenprestatie.
DEMOCRATISCHE GRONDSLAG - VOORBIJ LINKS EN RECHTS
De fundamentele politieke tegenstelling is niet uitsluitend links tegenover rechts. Voor een duurzame samenleving is een diepere vraag van belang: versterkt beleid de democratische rechtsstaat, de vrijheid van burgers en hun politieke gelijkwaardigheid, of verzwakt het die?
Dit voorstel kiest daarom niet als uitgangspunt dat rijkdom goed of slecht is, of dat overheid en markt elkaars tegenstanders zijn. Het uitgangspunt is democratische vrijheid binnen een open economie.
Vrijheid om waarde te creëren
Iedere burger moet de vrijheid hebben om door arbeid, ondernemerschap, investering, innovatie en risico economische waarde op te bouwen. Succes is geen belastbaar probleem op zichzelf. Er komt daarom geen maximumvermogen en geen algemene belasting enkel omdat iemand vermogen bezit. Wie economische waarde creëert, mag daarvan profiteren.
Geen erfelijk recht op fiscale bevoordeling
Economische vrijheid betekent niet dat zeer grote economische voordelen onbeperkt en fiscaal bevoordeeld van generatie op generatie moeten kunnen worden overgedragen. Een euro die iemand zelf verdient en een euro die iemand zonder economische tegenprestatie verkrijgt, hebben niet dezelfde economische oorsprong. Daarom wordt eigen economische prestatie lichter belast en worden zeer grote verkrijgingen zonder tegenprestatie progressief belast.
Economische macht en democratie
Vermogen is niet hetzelfde als politieke macht en rijkdom maakt iemand niet minder democratisch. De overheid mag burgers, ondernemers of maatschappelijke groepen nooit fiscaal benadelen vanwege hun politieke overtuiging, maatschappelijke positie of succes. Een democratie hoeft evenmin een belastingstelsel in stand te houden dat permanente erfelijke concentratie van economische macht bevoordeelt.
Het doel is niet om economische verschillen uit te wissen. Het doel is een samenleving waarin economische en politieke posities open en betwistbaar blijven en waarin afkomst niet steeds bepalender wordt voor de kansen van volgende generaties.
Een brug tussen politieke tradities
Dit voorstel vraagt politieke partijen niet hun eigen waarden op te geven. Liberale waarden van economische vrijheid, sociaaldemocratische waarden van gelijke kansen en gemeenschapsgerichte waarden van continuïteit en maatschappelijke stabiliteit kunnen binnen dezelfde institutionele ordening naast elkaar bestaan.
Het democratische compromis is daarom: vrijheid om vermogen op te bouwen; geen belasting uitsluitend op bezit; lagere belasting op werken en ondernemen; lagere lasten op het creëren van werk; progressieve belasting op zeer grote verkrijgingen zonder tegenprestatie; bescherming van ondernemingscontinuïteit; gelijke behandeling voor de wet; en volledige rechtsbescherming tegenover de overheid.
Dit is een verdedigbare maatschappelijke ruil, maar de werking ervan moet nog worden bewezen. Of de opbrengst werkelijk ruimte biedt voor lagere lasten op arbeid en ondernemerschap, en hoe de gevolgen voor huishoudens, bedrijven en vermogensconcentratie uitvallen, blijkt pas uit onafhankelijke doorrekening en uitvoeringstoetsen. De voorgestelde tarieven en terugsluis worden daarom pas definitief vastgesteld na die toetsing.
Democratische grens
Geen belastingmaatregel mag worden gebruikt om politieke tegenstanders, maatschappelijke groepen of succesvolle ondernemingen te bestraffen. De wet bepaalt objectief wat wordt belast. Dezelfde regels gelden voor iedereen. Besluiten moeten controleerbaar zijn en burgers behouden het recht op menselijke beoordeling, bezwaar, beroep en onafhankelijke rechterlijke toetsing.
Niet links tegen rechts, maar samen vóór een vrije en democratische rechtsstaat.
DE MAATSCHAPPELIJKE RUIL
Dit voorstel begint niet bij de vraag wie rijk of arm is, maar bij de vraag hoe economische waarde bij iemand terechtkomt.
Wie door arbeid, ondernemerschap, investering en risico zelf waarde creëert, moet daarvan meer kunnen behouden. Daarom worden arbeid en ondernemerschap minder zwaar belast. Vermogen mag worden opgebouwd en behouden; het enkele bezit ervan wordt niet belast. Werkelijk economisch rendement wel.
Daar staat tegenover dat wie grote bedragen zonder economische tegenprestatie ontvangt, daarover progressief bijdraagt. Kleine schenkingen, familiehulp en bescheiden nalatenschappen worden zoveel mogelijk ontzien. Bij grotere verkrijgingen loopt de bijdrage op. Daarbij staat de ontvanger centraal, niet diens familieband met de gever.
Ook een familiebedrijf wordt niet automatisch belastingvrij overgedragen. Wel wordt de continuïteit beschermd: wanneer voldoende liquiditeit ontbreekt, kan betaling langdurig worden uitgesteld zodat een gezond bedrijf niet gedwongen hoeft te worden verkocht.
De overheid houdt de extra opbrengst niet. Iedere structurele netto-meeropbrengst uit de hervorming wordt teruggegeven via lagere belasting op arbeid en ondernemerschap.
Naarmate in de komende decennia grotere vermogens worden overgedragen, kan zo een vermogensoverdrachtsdividend ontstaan: meer structurele opbrengst uit grote verkrijgingen maakt verdere verlaging van de belasting op werken en ondernemen mogelijk.
Dat is de maatschappelijke ruil:
Vrijheid om vermogen op te bouwen. Geen belasting uitsluitend op bezit. Lagere belasting op werken en ondernemen. Belasting over werkelijk rendement. Een grotere bijdrage wanneer grote vermogens zonder tegenprestatie worden verkregen. En iedere structurele extra euro terug naar degenen die werken en ondernemen.
Het doel is niet gelijke vermogens en evenmin het bestrijden van rijkdom. Het doel is een samenleving waarin zelf verdienen en creëren meer loont dan nu, en waarin zeer grote verkregen vermogens een grotere bijdrage leveren aan die lagere belasting op economische prestatie.
MAATSCHAPPELIJKE BETEKENIS
De maatschappelijke betekenis van dit model ligt in de combinatie van economische prikkels, intergenerationele spreiding en begrotingsdiscipline. De onderstaande effecten zijn beoogde voordelen van de gekozen systematiek. Hun omvang is niet vooraf bewezen en moet vóór invoering onafhankelijk worden doorgerekend.
Werken, ondernemen en werk creëren kunnen meer lonen
Iedere structurele netto-meeropbrengst uit de hervorming wordt teruggegeven via lagere lasten op arbeid en ondernemerschap. In de voorkeursvariant gaat 60% naar de inkomenskant en 40% naar lagere werkgeverslasten. Daardoor kan een verschuiving ontstaan van belasting op economische prestatie naar belasting op grote verkrijgingen zonder tegenprestatie. De ondernemersgarantie voorkomt dat lastenverlichting voor werknemers wordt gefinancierd door regulier ondernemerschap, productieve investeringen of het aannemen van personeel structureel zwaarder te belasten.
Zelf verdienen en vermogen krijgen worden duidelijker onderscheiden
Het model behandelt economische waarde die iemand zelf door arbeid, ondernemerschap, investering en risico creëert anders dan economische waarde die zonder tegenprestatie wordt ontvangen. Grote schenkingen en erfenissen dragen daardoor progressief bij aan de financiering van lagere lasten op zelf verdiend inkomen en ondernemerschap. Dat maakt de grondslag van het stelsel beter uitlegbaar: economische prestatie wordt ontlast, terwijl grote persoonlijke verkrijgingen zonder tegenprestatie een grotere bijdrage leveren.
Kleine verkrijgingen worden ontzien; zeer grote verkrijgingen dragen meer bij
Schenk- en erfbelasting worden samengebracht in één persoonlijke levenslange verkrijgingsbelasting. Niet de rijkdom van de erflater of de familieband met de ontvanger, maar de cumulatieve omvang van wat iemand zonder tegenprestatie ontvangt bepaalt de progressie. De voorlopige schijven lopen van 0% over de eerste €25.000 levenslange verkrijging tot 40% over het gedeelte boven €5 miljoen. Daarmee wordt onderscheid gemaakt tussen bescheiden familiehulp of een kleine nalatenschap en het ontvangen van zeer grote vermogens.
Vermogensopbouw blijft mogelijk zonder algemene bezitsheffing
Het enkele bezit van vermogen is geen zelfstandig belastbaar feit. Sparen, investeren, een onderneming opbouwen of vermogen laten groeien wordt niet belast uitsluitend omdat de vermogensvoorraad groot is. Bij vermogen wordt in beginsel het werkelijk behaalde economische rendement belast. Bij een latere substantiële schenking of erfenis wordt vervolgens de verkrijging bij de ontvanger belast.
Bedrijfscontinuïteit zonder algemene miljoenenvrijstelling
Bij bedrijfsopvolging wordt de belastingclaim vastgesteld, maar het betalingstempo kan worden aangepast aan aantoonbare liquiditeit en continuïteit. De 10/20/30-jaarsregeling voorkomt dat een gezonde actieve onderneming uitsluitend wegens een onmiddellijke belastingclaim moet worden verkocht. Tegelijk blijft de belastingclaim bestaan, wordt uitstel begrensd en worden passieve beleggingen en overtollige liquiditeiten niet automatisch beschermd. Zo worden fiscale gelijkheid en continuïteit van ondernemingen zoveel mogelijk met elkaar gecombineerd.
Een intergenerationele kringloop kan ontstaan
Wanneer in de komende decennia meer opgebouwd vermogen wordt overgedragen en daardoor daadwerkelijk een hogere structurele netto-opbrengst ontstaat, wordt ook die extra opbrengst teruggesluisd naar arbeid en ondernemerschap. Dit vermogensoverdrachtsdividend kan een kringloop creëren: vermogen wordt opgebouwd, later overgedragen, grote verkrijgingen leveren belastingopbrengst op en die structurele opbrengst verlaagt de lasten op werken, ondernemen en werkgelegenheid voor de volgende generatie.
De overheid krijgt geen vrij besteedbare meevaller
Alleen bewezen structurele netto-meeropbrengsten mogen worden teruggesluisd. Gedragseffecten, uitvoeringskosten, ontwijking, betalingsuitstel en oninbaarheid worden eerst afgetrokken. Een opgelegde belastingclaim die over twintig of dertig jaar wordt betaald, geldt dus niet onmiddellijk als beschikbare structurele begrotingsruimte. Incidentele pieken in nalatenschappen worden evenmin direct gebruikt voor permanente lastenverlaging.
Beoogd effect moet vóór invoering worden bewezen
Het model presenteert deze maatschappelijke voordelen als ontwerpdoelen, niet als reeds vaststaande uitkomsten. Voor invoering worden de opbrengst, verdelingseffecten, gevolgen voor arbeid en werkgelegenheid, effecten op ondernemers en bedrijfsopvolgers, uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid onafhankelijk getoetst. Definitieve tarieven en terugsluis worden pas daarna vastgesteld.
Samengevat: minder belasting op economische prestatie, geen algemene belasting uitsluitend op bezit, belasting over werkelijk rendement, een grotere bijdrage bij grote verkrijgingen zonder tegenprestatie, bescherming van levensvatbare ondernemingen tegen liquiditeitsproblemen en volledige terugsluis van bewezen structurele netto-meeropbrengsten naar werken en ondernemen.
DEEL I - VERDIENEN EN ONDERNEMEN
2. Arbeid moet meer lonen
Inkomen dat iemand door eigen arbeid verdient, wordt minder zwaar belast. De structurele extra opbrengst van de verkrijgingsbelasting wordt gebruikt om de belasting op arbeid te verlagen.
Bij €5 miljard bewezen structurele netto-meeropbrengst is in de voorkeursvariant €3 miljard beschikbaar voor lagere belasting op arbeid en ondernemerschap aan de inkomenskant en €2 miljard voor lagere werkgeverslasten. De definitieve Box 1-tarieven worden niet vooraf vastgezet, maar volgen uit onafhankelijke microsimulatie en actuele fiscale sleutels. Als eerste-orde illustratie kan bij €3 miljard inkomensruimte worden gedacht aan een verlaging van ongeveer 0,6 procentpunt in de eerste twee schijven en ongeveer 0,2 procentpunt in de hoogste schijf. Dit is geen tariefbelofte; gedragseffecten, grondslagen en de ondernemerstoets kunnen tot een andere verdeling leiden.
Eerst de opbrengst vaststellen, daarna dezelfde structurele opbrengst teruggeven.
2A. 60/40-terugsluis: werken én werk creëren
Iedere structurele netto-meeropbrengst uit de hervorming wordt volledig teruggegeven aan economische prestatie. Als voorkeursroute wordt 60% ingezet voor lagere belasting op arbeid en ondernemerschap aan de inkomenskant en 40% voor lagere werkgeverslasten op arbeid.
Bij €5 miljard structurele netto-meeropbrengst betekent dit indicatief €3 miljard voor lagere lasten op arbeid en ondernemerschap en €2 miljard voor lagere werkgeverslasten. €5 miljard is een rekenscenario, geen vooraf uitgeefbaar bedrag: eerst wordt de bewezen structurele netto-opbrengst vastgesteld, daarna wordt hetzelfde bedrag teruggesluisd.
De 60/40-verhouding is een voorkeursvariant en geen doel op zichzelf. Voor invoering worden ook 50/50 en 70/30 onafhankelijk doorgerekend. Een andere verhouding kan worden gekozen wanneer die aantoonbaar beter presteert op netto arbeidsinkomen, marginale belastingdruk, werkgelegenheid, ondernemerschap, investeringen en concurrentiekracht.
| Voorbeeld werkgever | Bruto loonsom per jaar | Illustratieve besparing per jaar |
|---|---|---|
| 5 werknemers à €40.000 | €200.000 | circa €1.000 |
| 10 werknemers à €40.000 | €400.000 | circa €2.000 |
| 25 werknemers à €40.000 | €1 miljoen | circa €5.000 |
| 50 werknemers à €40.000 | €2 miljoen | circa €10.000 |
2B. Ondernemers- en rechtsvormgarantie
De verlaging van de belasting op arbeid mag niet worden gefinancierd door een hogere structurele belastingdruk op regulier ondernemerschap, werkgevers, productieve investeringen of het in dienst nemen van personeel.
De lastenverlichting wordt daarom niet teruggenomen via een verhoging van de vennootschapsbelasting uitsluitend ter financiering van de terugsluis, een verhoging van Box 2 uitsluitend ter financiering van de terugsluis, nieuwe generieke werkgeversheffingen, hogere belasting op reguliere productieve investeringen of een belasting op ondernemingsvermogen enkel vanwege het bezit daarvan.
Binnen het deel van de terugsluis dat bestemd is voor lagere belasting op arbeid en ondernemerschap wordt niet vooraf een vaste verdeling opgelegd tussen werknemers, zelfstandigen, IB-ondernemers en DGA's. De verdeling wordt zo gekalibreerd dat vergelijkbare zelf gecreëerde economische waarde zoveel mogelijk vergelijkbaar wordt behandeld, ongeacht de rechtsvorm waarin die waarde wordt gecreëerd.
Daarbij gelden de volgende ontwerpvoorwaarden:
- werknemers moeten aantoonbaar profiteren van lagere belasting op hun arbeidsinkomen;
- zelfstandigen en IB-ondernemers moeten aantoonbaar profiteren van lagere belasting op hun eigen economische prestatie;
- voor DGA's wordt de gecombineerde druk van Box 1, vennootschapsbelasting en Box 2 beoordeeld;
- werkgevers profiteren aanvullend via het deel van de terugsluis dat rechtstreeks aan arbeid en werkgelegenheid wordt gekoppeld;
- geen ondernemerscategorie mag structureel van de terugsluis worden uitgesloten uitsluitend vanwege de gekozen rechtsvorm;
- fiscale verschillen tussen rechtsvormen blijven mogelijk wanneer daarvoor een objectieve economische of juridische reden bestaat, maar mogen niet leiden tot structurele uitsluiting van de lastenverlaging.
De toets vindt plaats op de effectieve belastingdruk en niet uitsluitend op afzonderlijke nominale tarieven. Een verlaging van Box 1 geldt bijvoorbeeld niet als voldoende ondernemersvoordeel wanneer tegelijkertijd andere belastingen op dezelfde reguliere economische prestatie zodanig stijgen dat het voordeel per saldo verdwijnt.
De hervorming wordt niet ingevoerd wanneer onafhankelijke analyse laat zien dat de lastenverlaging voor werkenden per saldo wordt betaald door een hogere structurele belastingdruk op regulier ondernemerschap. Werken moet meer lonen, ondernemen moet meer lonen en werk creëren moet aantrekkelijker worden.
2C. Indicatieve betekenis voor werkgevers, zelfstandigen en DGA's
In het rekenscenario van €5 miljard structurele netto-meeropbrengst gaat bij de voorkeursverdeling 40% - €2 miljard per jaar - naar lagere werkgeverslasten. De uiteindelijke verlaging per werkgever hangt af van de gekozen premie, de heffingsgrondslag en de verdeling over sectoren.
Om de orde van grootte zichtbaar te maken, rekent de volgende tabel uitsluitend ter illustratie met een verlaging ter grootte van 0,5% van de bruto loonsom. Dit percentage is geen voorspelling of toezegging. Het definitieve percentage kan pas worden vastgesteld nadat de opbrengst, grondslag en uitvoeringsvorm onafhankelijk zijn doorgerekend.
| Voorbeeld werkgever | Bruto loonsom per jaar | Illustratieve besparing per jaar |
|---|---|---|
| 5 werknemers à €40.000 | €200.000 | circa €1.000 |
| 10 werknemers à €40.000 | €400.000 | circa €2.000 |
| 25 werknemers à €40.000 | €1 miljoen | circa €5.000 |
| 50 werknemers à €40.000 | €2 miljoen | circa €10.000 |
| 250 werknemers à €40.000 | €10 miljoen | circa €50.000 |
Een zelfstandige zonder personeel profiteert niet van het werkgeversdeel. Daarom moet binnen de 60% voor lagere belasting op arbeid en ondernemerschap afzonderlijk worden gewaarborgd dat zelfstandigen aantoonbaar voordeel ontvangen. Een eerder indicatief genoemd voordeel van circa €750 per jaar bij €50.000 belastbaar inkomen wordt niet als vast ijkpunt gebruikt, omdat dit niet consistent hoeft te zijn met de 60/40-terugsluis. De uiteindelijke uitkomst wordt integraal berekend met ondernemersaftrek, mkb-winstvrijstelling, heffingskortingen, inkomensafhankelijke zorgbijdrage, pensioen en verzekeringen.
Voor een DGA wordt niet uitsluitend gekeken naar Box 1 over het gebruikelijk loon. Ook de vennootschapsbelasting over ondernemingswinst en Box 2 over uitdelingen worden in samenhang beoordeeld. Een verschuiving tussen deze heffingen geldt niet als lastenverlaging wanneer de totale effectieve druk op reguliere zelf gecreëerde ondernemingsopbrengst niet daalt.
Voor kleine en middelgrote werkgevers kunnen het persoonlijke tariefeffect voor de ondernemer en de lagere werkgeverslasten naast elkaar bestaan. Deze effecten mogen niet zonder meer worden opgeteld: lagere werkgeverslasten zijn in eerste instantie een verlaging van de kosten van de onderneming en niet automatisch persoonlijk besteedbaar inkomen van de ondernemer.
3. Ondernemen is verdienen
Ondernemerschap is een economische prestatie. Een zelfstandige of MKB-ondernemer die door arbeid, initiatief, investering en risico economische waarde creëert, moet daarom net zo duidelijk van de hervorming profiteren als een werknemer.
Zelfstandigen en MKB-ondernemers delen volwaardig mee in de lastenverlaging.
Werkelijke zakelijke kosten blijven aftrekbaar. Zelf opgebouwde ondernemingswaarde is geen verkrijging. Een ondernemer die een onderneming vanaf nul opbouwt tot een waarde van €2 miljoen heeft niet €2 miljoen zonder tegenprestatie verkregen; die waarde is ontstaan door economische activiteit.
Het enkele bezit van die onderneming wordt evenmin belast. Een ondernemer betaalt niet méér belasting enkel omdat zijn onderneming groeit, personeel aanneemt, investeert, succesvol wordt of meer waard wordt.
4. Een harde en publiceerbare ondernemerstoets
De positie van ondernemers is geen communicatieve bijzaak maar een ontwerpvoorwaarde. Voor invoering wordt met microsimulatie afzonderlijk berekend wat de hervorming doet met zelfstandigen zonder personeel, IB-ondernemers, startende ondernemers, kleine werkgevers, MKB-bedrijven, DGA's, familiebedrijven en startende en groeiende ondernemingen.
Zowel de mediane als de gemiddelde effectieve belastingdruk op regulier ondernemerschap moet dalen. Ook wordt binnen iedere categorie een uitsplitsing gemaakt naar verschillende inkomens-, winst- en ondernemingsgroottes. Wanneer werknemers aantoonbaar profiteren maar één of meer belangrijke categorieën reguliere ondernemers niet, wordt de verdeling of vormgeving van de terugsluis aangepast. Hetzelfde geldt omgekeerd: de ondernemersgarantie mag niet worden gebruikt om de toegezegde lastenverlaging voor werknemers weg te nemen.
Voor invoering publiceert de onafhankelijke doorrekening ten minste representatieve voorbeeldsituaties voor €50.000, €100.000, €250.000 en €500.000 jaarlijkse ondernemingsopbrengst; voor zelfstandigen en IB-ondernemers; voor DGA's en BV's; en voor werkgevers met 0, 5, 25 en 50 werknemers. Per voorbeeld worden het referentiestelsel, het hervormde stelsel, de belasting in euro's, de effectieve belastingdruk en het verschil in euro's en procentpunten gepubliceerd.
Bij ondernemer-werkgevers worden het persoonlijke effect op arbeid en ondernemingsinkomen, het effect op ondernemingswinst en uitdelingen, het effect van lagere werkgeverslasten en het gecombineerde effect afzonderlijk zichtbaar gemaakt. Deze bedragen worden niet zonder meer bij elkaar opgeteld alsof zij allemaal persoonlijk besteedbaar inkomen zijn.
De ondernemerstoets is daarmee geen politieke belofte maar een controleerbare voorwaarde voor invoering. Ondernemen is verdienen - en dat moet in de belastingaanslag zichtbaar zijn.
5. Rechtsvormneutraliteit
Eenmanszaak, vof en bv mogen niet volledig identiek worden behandeld, omdat zij juridisch en economisch verschillen. Maar vergelijkbare economische prestaties moeten zoveel mogelijk vergelijkbaar worden belast.
De keuze voor een rechtsvorm hoort hoofdzakelijk te worden bepaald door aansprakelijkheid, samenwerking, financiering, continuïteit en ondernemingsrisico - niet door grote kunstmatige belastingverschillen. Het bestrijden van fiscale rechtsvormarbitrage is een technische randvoorwaarde, niet het doel van het ondernemersbeleid.
Voor DGA's blijft een zakelijk loon gelden voor daadwerkelijk verrichte arbeid. Vpb en Box 2 blijven onderdeel van de belasting op ondernemingswinst en uitdelingen. De gecombineerde druk wordt zo gekalibreerd dat ook ondernemers aantoonbaar delen in de lastenverlaging.
DEEL II - VERMOGEN EN RENDEMENT
6. Geen algemene vermogensbelasting
Nederland kent ook nu geen klassieke algemene vermogensbelasting waarbij jaarlijks rechtstreeks een percentage van het nettovermogen wordt geheven. In het huidige Box 3-stelsel speelt de omvang en samenstelling van het vermogen echter wel een belangrijke rol bij de berekening van het belastbare rendement. Het voorstel trekt de scheidslijn scherper: de vermogensomvang is niet zelfstandig de maatstaf; het werkelijk behaalde economische rendement wordt belast.
Rijk zijn is op zichzelf geen belastbaar feit. Economische opbrengst behalen wel.
De keuze om vermogen tijdens het leven niet jaarlijks enkel vanwege het bezit te belasten, sluit aan bij de gedachte „geld moet rollen”, zoals verwoord op erfenisvoorallen.nl. Mensen houden ruimte om hun vermogen te besteden, te investeren of weg te schenken. Werkelijk rendement blijft belast en bij een substantiële schenking of erfenis wordt de verkrijging bij de ontvanger belast. Dat is een ontwerpkeuze, geen garantie dat vermogen daardoor vanzelf sneller in omloop komt.
7. Box 3: werkelijk rendement
Box 3 wordt structureel ingericht als een heffing over werkelijk economisch rendement. Daarmee wordt niet gesuggereerd dat het huidige stelsel juridisch het enkele bezit van vermogen belast: ook de huidige Box 3 is vormgegeven als een heffing over inkomen uit vermogen, maar werkt nog in belangrijke mate met forfaitaire rendementspercentages die aan de omvang en samenstelling van het vermogen worden gekoppeld. In dit voorstel wordt werkelijk rendement juist het structurele uitgangspunt.
Bij liquide en objectief waardeerbare bezittingen omvat dit bijvoorbeeld rente, dividend en meetbare waardeverandering, verminderd met rechtstreeks toerekenbare kosten. Bij moeilijk waardeerbare illiquide bezittingen kan belastingheffing bij realisatie plaatsvinden.
Een kleine jaarlijkse rendementsvrijstelling van indicatief circa €3.000 per persoon voorkomt dat zeer kleine rendementen tot belasting en administratie leiden. Verliezen kunnen ruim met latere positieve rendementen worden verrekend.
8. Geen belastingvrij rendement door eeuwig uitstel
Dat de vermogensomvang niet zelfstandig wordt belast, betekent niet dat economische waardegroei permanent buiten de belastingheffing mag blijven. Bij beursgenoteerde en andere goed waardeerbare vermogensbestanddelen kan waardegroei periodiek worden vastgesteld. Bij illiquide ondernemingen en andere moeilijk waardeerbare bezittingen kan realisatie het heffingsmoment zijn.
Uitstel vanbelasting kan noodzakelijk zijn; permanente verdwijning van de belastinggrondslag niet.
9. Leningen zijn geen inkomen - behalve als zij dat economisch wel zijn
Een echte lening blijft een lening en is geen inkomen. Ook een zeer vermogend persoon mag geld lenen tegen zijn bezittingen zonder dat het geleende bedrag automatisch inkomen wordt.
Maar schijnleningen worden niet beschermd. Wanneer redelijkerwijs geen terugbetaling wordt verwacht of een constructie economisch functioneert als een vermogensuitkering, mag de fiscus naar de economische werkelijkheid kijken.
10. De eigen woning
De duurzaam zelf bewoonde eigen woning blijft buiten de normale Box 3-heffing. Er wordt geen jaarlijkse belasting geheven over theoretische waardestijging zolang iemand er woont. Een normale verkoopwinst op de hoofdwoning wordt in beginsel evenmin als beleggingswinst behandeld.
Op langere termijn kunnen hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait geleidelijk en budgetneutraal worden vereenvoudigd. Tweede woningen en beleggingsvastgoed vallen wel onder de normale regels voor werkelijk rendement.
11. Niemand hoeft bij tijdelijke werkloosheid zijn huis op te eten
De normale eigen woning wordt bij tijdelijke inkomensuitval niet behandeld alsof zij direct beschikbaar spaargeld is. Werkloosheid mag daarom niet automatisch leiden tot gedwongen verkoop of de verplichting een commerciële hypotheek op de woning te nemen.
Bij langdurige vermogensafhankelijke ondersteuning en uitzonderlijk grote overwaarde kan boven een ruime beschermingsgrens een zachte publieke vordering worden overwogen. Betaling daarvan kan worden uitgesteld tot bijvoorbeeld verkoop, permanente verhuizing of overlijden.
Illiquiditeit is niet hetzelfde als armoede, maar een huis is ook niet hetzelfde als geld op een betaalrekening.
DEEL III - VERKRIJGEN ZONDER TEGENPRESTATIE
12. Eén persoonlijke verkrijgingsbelasting
Schenk- en erfbelasting worden samengebracht in één persoonlijke verkrijgingsbelasting. De ontvanger staat centraal. Iedere natuurlijke persoon krijgt vanaf invoering een levenslange verkrijgingsrekening.
Daarop worden substantiële vermogensoverdrachten zonder economische tegenprestatie cumulatief bijgehouden. Niet de vraag 'hoe rijk was de schenker?' maar de vraag 'hoeveel heeft deze persoon gedurende zijn leven zonder economische tegenprestatie verkregen?' bepaalt de progressie.
13. Progressieve schijven
Het voorstel voert een persoonlijke levenslange nultariefvoet van €25.000 in. Voor verkrijgingen daarboven stelt het de volgende voorlopige progressieve schijven voor. De grenzen zouden voor inflatie worden geïndexeerd. De nultariefvoet begint niet opnieuw bij iedere nieuwe schenker.
| Cumulatieve levenslange verkrijging | Marginaal tarief |
|---|---|
| €0 - €25.000 | 0% |
| €25.000 - €100.000 | 10% |
| €100.000 - €250.000 | 15% |
| €250.000 - €1 miljoen | 20% |
| €1 - €5 miljoen | 30% |
| Boven €5 miljoen | 40% |
14. Waarom slechts €25.000 belastingvrij?
Een ontvanger van een schenking of erfenis wordt door de verkrijging rijker zonder daarvoor een economische tegenprestatie te hoeven leveren. Daarom is er weinig reden om zeer grote bedragen volledig belastingvrij te laten.
Een beperkte nultariefvoet voorkomt wel dat kleine nalatenschappen, familiehulp en gewone vermogensoverdrachten onmiddellijk belasting veroorzaken.
Wie substantieel vermogen zonder tegenprestatie verkrijgt, kan daarover een bijdrage betalen en houdt nog steeds het grootste deel van de verkrijging over.
15. Voorbeelden
Volgens de voorgestelde tarieven betaalt iemand die voor het eerst €100.000 verkrijgt €7.500: over de eerste €25.000 is het tarief 0% en over de volgende €75.000 geldt 10%. Netto resteert €92.500.
Bij een eerste cumulatieve verkrijging van €500.000 bedraagt de belasting €80.000. Bij €2 miljoen is dat €480.000. Bij €10 miljoen is dat €3.380.000. Deze bedragen zijn illustratief en volgen rechtstreeks uit de voorlopige schijven hierboven.
16. Relatieneutraliteit: gelijke verkrijging, gelijke belasting
De hoogte van de persoonlijke verkrijgingsbelasting wordt in beginsel niet bepaald door de persoonlijke of familiale relatie tussen gever of erflater en ontvanger. Een euro die iemand zonder economische tegenprestatie verkrijgt, heeft voor die ontvanger dezelfde economische betekenis ongeacht van wie die euro afkomstig is.
Daarom gelden dezelfde persoonlijke, progressieve schijven voor verkrijgingen van ouders, grootouders, kinderen, broers en zussen, verdere familie, vrienden, buren, zakenrelaties en andere natuurlijke personen.
Een kind heeft fiscaal geen gunstiger of ongunstiger status dan een vriend. Wie voor het eerst €500.000 verkrijgt, wordt in beginsel hetzelfde belast ongeacht of dat bedrag afkomstig is van een ouder, kind, vriend of andere gever of erflater.
Kind, vriend of vreemde: gelijke verkrijging, gelijke belasting.
17. Fiscale partners: doorschuiven in plaats van bevoordelen
Voor fiscale partners geldt een bijzondere regeling omdat partners doorgaans samen een economische huishouding vormen en gedurende hun relatie gezamenlijk vermogen kunnen hebben opgebouwd. Bij overlijden of vermogensoverdracht tussen fiscale partners wordt daarom niet gewerkt met een afzonderlijk lager tarief, maar met een doorschuifregeling.
Het vermogen kan daardoor bij de langstlevende partner blijven zonder dat onmiddellijk verkrijgingsbelasting hoeft te worden betaald. De doorschuiving is geen definitieve vrijstelling. Wanneer het doorgeschoven vermogen later zonder economische tegenprestatie bij een volgende ontvanger terechtkomt, wordt het binnen de verkrijgingssystematiek alsnog meegenomen.
Gelijke verkrijging, gelijke belasting. Alleen een aantoonbare gezamenlijke economische eenheid kan uitstel rechtvaardigen; niet een permanent lager tarief.
18. Bestaand vermogen van de ontvanger telt niet mee
De verkrijgingsbelasting wordt niet afhankelijk gemaakt van het vermogen dat iemand al bezit. Twee personen die ieder €100.000 verkrijgen en dezelfde uitgangspositie op hun levenslange verkrijgingsrekening hebben, worden over die verkrijging hetzelfde belast.
Hun bestaande vermogen wordt niet als extra belastinggrondslag gebruikt. De omvang van cumulatieve verkrijgingen bepaalt de progressie, niet het bestaande bezit.
19. Kleine cadeaus
Het voorstel wil voorkomen dat verjaardagsgeld, normale cadeaus en kleine familiehulp elk afzonderlijk moeten worden geregistreerd. Daarom wordt een indicatieve administratieve grens van €2.500 per jaar voorgesteld. Die grens is geen jaarlijkse belastingvrijstelling: de ontvanger geeft het gezamenlijke jaarbedrag van zulke giften op, en dat bedrag telt volledig mee op de levenslange verkrijgingsrekening. Wie veertig jaar lang €2.500 ontvangt, telt dus in totaal €100.000 mee voor de progressie.
Samenhangende transacties en doorgeefconstructies worden voor de toepassing van de grens als één verkrijging behandeld. De praktische vorm van de jaarlijkse totaalopgave moet worden uitgewerkt zonder voor gewone kleine cadeaus afzonderlijke aangiften te verlangen.
DEEL IV - BEDRIJFSOPVOLGING
20. Geen miljoenenvrijstelling uitsluitend omdat het een familiebedrijf is
Bij bedrijfsopvolging wordt onderscheid gemaakt tussen correcte waardering, de omvang van de belastingclaim en het tijdstip waarop die claim kan worden betaald. Een onderneming wordt op going-concernbasis gewaardeerd.
Een ontvanger die een onderneming van grote waarde geschonken krijgt of erft, verkrijgt economische waarde zonder daarvoor die oorspronkelijke vermogenswaarde zelf te hebben gecreëerd. Daarom wordt de materiële BOR-vrijstelling vervangen door gerichte continuïteitsbescherming.
Waarderingsbescherming: ja. Liquiditeitsbescherming: ja. Miljoenen belastingvrij uitsluitend omdat het vermogen in een familiebedrijf zit: nee.
21. Geen gedwongen verkoop van gezonde bedrijven
Een belastingclaim betekent niet dat de Belastingdienst een levensvatbaar bedrijf moet dwingen zichzelf te verkopen. De verkrijger heeft bij aantoonbaar onvoldoende liquiditeit recht op een passende continuïteitsregeling. De belastingclaim blijft bestaan; de bescherming zit in het betalingstempo en niet in een materiële vrijstelling.
- standaard: betaling in maximaal circa tien jaar wanneer onmiddellijke betaling de continuïteit aantoonbaar schaadt;
- verlengd: maximaal circa twintig jaar wanneer een onafhankelijke liquiditeits- en continuïteitstoets aantoont dat tien jaar onevenredige druk legt op een gezonde onderneming;
- uitzonderlijk: maximaal circa dertig jaar voor aantoonbaar zeer illiquide actieve ondernemingen waarvoor ook twintig jaar onvoldoende bescherming biedt;
- over uitgestelde belasting wordt rente berekend en bij substantiële claims kan passende zekerheid worden verlangd, zonder normale bedrijfsfinanciering onnodig te blokkeren;
- bij verkoop, grote buitengewone uitkeringen, onttrekking van beschermd ondernemingsvermogen of omzetting in passief beleggingsvermogen kan de resterende claim geheel of gedeeltelijk versneld opeisbaar worden.
Liquiditeitstekort rechtvaardigt betalingsuitstel, niet belastingvrijstelling. Een langere looptijd is geen recht: hoe langer het uitstel, hoe zwaarder de noodzaak periodiek moet worden aangetoond.
21A. Draagkracht- en winstafhankelijke aflossing
Bij de verlengde regelingen kan de jaarlijkse aflossing gedeeltelijk aansluiten bij de feitelijke financiële draagkracht van de onderneming. Daarbij wordt gekeken naar vrije kasstroom, winst, noodzakelijke vervangingsinvesteringen, solvabiliteit en uitgekeerd dividend. Een tijdelijk zwak jaar kan tot een lagere aflossing leiden; uitzonderlijk hoge vrije kasstromen, grote dividenduitkeringen of verkoop van belangrijke activa kunnen juist tot hogere of versnelde aflossing leiden. De regeling beschermt de onderneming, niet grote privé-uitkeringen tijdens belastinguitstel.
21B. Alleen reëel ondernemingsvermogen
De continuïteitsregeling geldt uitsluitend voor vermogen dat daadwerkelijk noodzakelijk of functioneel is voor een actieve onderneming. Vrij beschikbare liquiditeiten, overtollige beleggingen, niet-operationeel vastgoed en ander passief vermogen worden eerst betrokken bij de betaalruimte en krijgen niet uitsluitend door plaatsing in een vennootschap langdurige bescherming.
21C. Gelijke belastingclaim, verschillend betalingstempo
De hoogte van de persoonlijke verkrijgingsbelasting wordt niet verlaagd omdat de verkrijging een familiebedrijf betreft. Het onderscheid zit tussen uiteindelijke draagkracht en onmiddellijke liquiditeit. Een verkrijger van liquide vermogen en een verkrijger van een actieve onderneming met dezelfde belastbare verkrijgingswaarde kunnen daarom dezelfde belastingclaim hebben, terwijl de tweede meer tijd krijgt wanneer directe betaling de bedrijfscontinuïteit aantoonbaar zou schaden.
21D. Periodieke herbeoordeling
Bij een looptijd langer dan tien jaar wordt periodiek getoetst of de oorspronkelijke noodzaak nog bestaat. Structurele verbetering van liquiditeit kan tot versnelde aflossing leiden; tijdelijke verslechtering kan binnen wettelijke grenzen tot aanpassing van het schema leiden. De belastingclaim blijft gedurende de gehele regeling juridisch afdwingbaar.
Na overlijden wordt eerst vastgesteld wie de onderneming krachtens een geldig testament of de wettelijke erfopvolging verkrijgt. Vervolgens worden de waarde, de persoonlijke belastingclaim en de betaalruimte van die verkrijger vastgesteld. De regeling vraagt geen toestemming of nieuwe keuze van de overleden erflater. Een testament bepaalt, binnen het erfrecht, aan wie de nalatenschap toekomt; de belasting en het betalingsrecht volgen voor iedere verkrijger uit dezelfde wet.
22. De liquiditeitsregeling geldt voor iedereen
Dezelfde systematiek geldt voor andere werkelijk illiquide verkrijgingen, zoals landbouwgrond, niet-beursgenoteerde aandelen en bepaalde vastgoedposities. Daarmee ontstaat één algemene regel in plaats van een reeks privileges voor afzonderlijke vermogenscategorieën.
DEEL V - ALGEMEEN NUT EN MISBRUIK
23. ANBI's
Vermogen dat daadwerkelijk aan het algemeen nut wordt besteed kan fiscaal worden vrijgesteld. Marktconforme beloning voor werkelijk verrichte arbeid blijft gewoon arbeidsinkomen.
Een absolute universele salarisgrens is niet nodig. Wel geldt een zakelijke toets op arbeid, verantwoordelijkheid, deskundigheid, tijdsbesteding en marktwaarde. Bovenmatige betalingen of particuliere bevoordeling kunnen als verkrijging zonder economische tegenprestatie worden behandeld.
Transacties met bestuurders en verbonden personen worden op zakelijkheid getoetst. Bij structureel misbruik kan de ANBI-status vervallen en kunnen fiscale voordelen worden gecorrigeerd.
24. Economische werkelijkheid en anti-misbruik
Verkoop beneden marktwaarde kan voor het verschil een schenking zijn. Kwijtschelding van een lening kan een verkrijging zijn. Een schijnlening kan overeenkomstig haar werkelijke karakter worden behandeld.
Duizend personen ieder €100.000 geven is toegestaan wanneer zij werkelijk ieder vrij over hun geld kunnen beschikken. Duizend personen gebruiken als tussenstation om uiteindelijk €100 miljoen bij één persoon terecht te laten komen is dat niet.
Ook kruiselingse overdrachten tussen families, vrienden of andere personen worden samengevoegd wanneer zij economisch onderdeel zijn van één ontwijkingsconstructie. De persoonlijke relatie is daarbij niet relevant.
De economische ontvanger is beslissend.
DEEL VI - AI EN UITVOERING
25. AI helpt feiten vast te stellen; de wet bepaalt wat belast wordt
AI kan de Belastingdienst ondersteunen bij administratie, waardering, patroonherkenning, fraudedetectie, controle en het vaststellen van economische samenhang tussen transacties.
AI helpt feiten vast te stellen; de wet bepaalt wat belast wordt.
AI creëert zelf geen belastbare feiten, belastinggrondslagen of wettelijke ficties. Belastingbesluiten moeten uitlegbaar en controleerbaar zijn. Burgers en ondernemers behouden recht op menselijke beoordeling waar dat nodig is, en altijd de normale mogelijkheden van bezwaar, beroep en rechterlijke toetsing.
DEEL VII - EUROPESE BESTENDIGHEID
26. Grensoverschrijdend neutraal
Het voorstel wordt vanaf het ontwerp getoetst aan het vrije verkeer van personen, ondernemingen en kapitaal. Vergelijkbare binnenlandse en grensoverschrijdende verkrijgingen worden in beginsel gelijk behandeld.
Buitenlandse ondernemingen, beleggingen en gelijkwaardige algemeen-nutinstellingen worden niet zonder objectieve rechtvaardiging ongunstiger behandeld. Dubbele belasting bij grensoverschrijdende verkrijgingen wordt zoveel mogelijk voorkomen via verrekening en verdragen.
27. Emigratie is geen verkrijging
Wie Nederland verlaat heeft daarmee nog geen vermogen zonder tegenprestatie ontvangen. Emigratie wordt daarom niet kunstmatig als verkrijging behandeld.
Gerichte naloopregels tegen evidente ontwijking rond grote latere schenkingen en erfenissen kunnen nodig zijn, maar moeten aangrijpen bij daadwerkelijke economische gebeurtenissen en noodzakelijk, proportioneel en Europees- en verdragsrechtelijk houdbaar zijn.
28. Immigratie
Iemand die met bestaand vermogen naar Nederland verhuist heeft dat vermogen niet door immigratie verkregen. Daarom wordt bij binnenkomst een controleerbare openingspositie vastgesteld. Reeds bestaand vermogen wordt niet alsnog als schenking of erfenis behandeld.
DEEL VIII - BUDGETNEUTRALITEIT
29. Iedere structurele euro gaat terug
Iedere euro structurele netto-meeropbrengst uit de hervorming wordt teruggegeven door lagere belasting op arbeid en ondernemerschap.
Niet 80% en niet alleen 'voor zover de begroting het toelaat': 100% van de structurele netto-meeropbrengst. Daarbij wordt gerekend ná gedragseffecten, uitvoeringskosten, ontwijking, betalingsuitstel en oninbaarheid.
30. Werknemers én ondernemers
De terugsluis mag niet uitsluitend via werknemers plaatsvinden. Werknemers profiteren via lagere belasting op arbeid. Zelfstandigen en MKB-ondernemers moeten eveneens aantoonbaar profiteren van lagere belasting op hun eigen economische prestatie.
Voor DGA's wordt naar de totale belastingdruk op arbeid en ondernemingsopbrengst gekeken. De precieze verdeling wordt gekalibreerd op basis van microsimulatie.
31. Vermogensoverdrachtsdividend
Door vergrijzing en vermogensopbouw kunnen grotere bedragen aan toekomstige generaties worden overgedragen. Wanneer daardoor de structurele reële opbrengst van de verkrijgingsbelasting groeit, wordt ook die extra opbrengst teruggesluisd.
Dit is het vermogensoverdrachtsdividend. De belasting op arbeid en ondernemerschap kan daardoor op langere termijn verder dalen zonder de totale structurele belastingdruk te verhogen.
Incidentele grote nalatenschappen worden niet onmiddellijk uitgegeven. De structurele opbrengst wordt over meerdere jaren bepaald en kan via een egalisatiereserve worden gestabiliseerd.
31A. Doorrekening van een fors oplopende erfsom tot 2045
De omvang van nalatenschappen en schenkingen is niet constant. Door demografische ontwikkeling, vermogensopbouw en de overdracht van woning-, financieel en ondernemingsvermogen kan de jaarlijkse intergenerationele vermogensoverdracht in de komende decennia substantieel toenemen. Daarom wordt het vermogensoverdrachtsdividend niet alleen bij invoering, maar ook voor 2030, 2035, 2040 en 2045 doorgerekend.
Als empirisch vertrekpunt voor de scenariostudie wordt de CBS-orde van grootte van het totaal nagelaten vermogen in 2023 gebruikt: circa €33,6 miljard. De toekomstige bedragen hieronder zijn nadrukkelijk stresstests in constante prijzen en geen CBS-prognoses.
Jaar
Basis: 2% reële groei
Hoog: 4% reële groei
Zeer hoog: 6% reële groei
2023
€33,6 mrd
€33,6 mrd
€33,6 mrd
2030
€38,6 mrd
€44,2 mrd
€50,5 mrd
2035
€42,6 mrd
€53,8 mrd
€67,6 mrd
2040
€47,0 mrd
€65,4 mrd
€90,4 mrd
2045
€51,9 mrd
€79,6 mrd
€121,0 mrd
De scenario’s mogen niet worden gelezen als opbrengstraming. Een hogere totale erfsom leidt niet één-op-één tot een hogere belastingopbrengst. De persoonlijke verkrijgingsbelasting wordt per ontvanger en cumulatief over het leven berekend. De verdeling over verkrijgers, eerdere schenkingen en erfenissen, partnerdoorschuiving, bedrijfsopvolging, betalingsuitstel, gedrag en oninbaarheid zijn daarom bepalend voor de feitelijke opbrengst.
31B. Van erfsom naar structurele netto-opbrengst
Voor ieder scenario wordt de volledige keten gepubliceerd: totale erfsom en schenkingen; verdeling over verkrijgers; cumulatieve levenslange verkrijging per persoon; belasting volgens de schijven; bruto-opbrengst; gedragseffecten en ontwijking; betalingsuitstel en oninbaarheid; uitvoeringskosten; en uiteindelijk de structurele netto-meeropbrengst ten opzichte van het referentiestelsel.
Alleen die laatste structurele netto-meeropbrengst mag worden teruggesluisd. Verwachte toekomstige erfenissen worden dus niet vooraf uitgegeven. Een incidenteel piekjaar leidt niet automatisch tot een permanente belastingverlaging. De structurele opbrengst wordt over meerdere jaren vastgesteld en kan via een egalisatiereserve worden gestabiliseerd.
Voor ondernemingsvermogen worden daarbij drie bedragen afzonderlijk gerapporteerd: de juridisch vastgestelde belastingclaim, de feitelijke jaarlijkse kasontvangst en het structureel terugsluisbare netto-bedrag. Claims onder de 10-, 20- en 30-jaarsregeling worden dus niet bij ontstaan volledig als beschikbare begrotingsopbrengst geboekt. Ook rente, versnelde aflossingen en eventuele oninbaarheid worden afzonderlijk zichtbaar gemaakt.
31C. Automatische terugsluis bij hogere opbrengst
Wanneer de bewezen structurele netto-meeropbrengst door een grotere vermogensoverdracht stijgt, groeit het vermogensoverdrachtsdividend automatisch mee. Bij handhaving van de voorkeursverdeling gaat 60% naar lagere belasting op arbeid en ondernemerschap aan de inkomenskant en 40% naar lagere werkgeverslasten.
Structurele netto-meeropbrengst
Inkomen/ondernemerschap (60%)
Werkgevers (40%)
€5 mrd
€3 mrd
€2 mrd
€10 mrd
€6 mrd
€4 mrd
€15 mrd
€9 mrd
€6 mrd
€20 mrd
€12 mrd
€8 mrd
€25 mrd
€15 mrd
€10 mrd
Deze bedragen zijn gevoeligheidsscenario’s en geen voorspellingen van de belastingopbrengst in 2045. Zij laten uitsluitend zien hoe de terugsluis werkt wanneer een bepaald niveau van structurele netto-meeropbrengst daadwerkelijk en onafhankelijk is vastgesteld.
31C-1. Bedrijfsopvolging in de 2045-toets
Voor 2030, 2035, 2040 en 2045 wordt afzonderlijk gepubliceerd hoeveel ondernemingsvermogen wordt overgedragen, hoeveel verkrijgingsbelasting daardoor ontstaat, welk deel direct wordt betaald, welk deel onder de 10-, 20- en 30-jaarsregeling valt, wat de gemiddelde resterende looptijd is, hoeveel rente en versnelde aflossing wordt ontvangen en wat het effect is op investeringen, financiering, werkgelegenheid en bedrijfscontinuïteit. Alleen de prudent geraamde structurele netto-kasopbrengst telt mee voor de 60/40-terugsluis.
31D. Geen vooraf beloofde toekomstige Box 1-tarieven
De extra inkomensruimte wordt niet mechanisch en onbeperkt vertaald in vooraf vastgelegde Box 1-tarieven. Per ijkmoment wordt onafhankelijk bepaald welke combinatie van Box 1-tarieven, heffingskortingen en ondernemerskalibratie de structurele ruimte budgetneutraal teruggeeft en tegelijkertijd voldoet aan de werknemers- en ondernemerstoets. Hierdoor kan een fors grotere erfsom richting 2045 leiden tot verdere lastenverlaging op werken en ondernemen, zonder toekomstige tarieven nu al te beloven.
De langetermijndoorrekening rapporteert alle bedragen zowel nominaal als in constante prijzen. Daarmee wordt voorkomen dat inflatie ten onrechte als een groter reëel vermogensoverdrachtsdividend wordt gepresenteerd.
Bron- en methodenotitie: het 2023-anker is ontleend aan CBS-statistieken over nalatenschappen. De groeipaden van 2%, 4% en 6% per jaar zijn modelscenario’s voor stresstesten en geen officiële prognoses. Definitieve opbrengstramingen vereisen microdata over verkrijgers en een onafhankelijke microsimulatie.
DEEL IX - WIE WINNEN EN VERLIEZEN?
32. Geen onbewezen percentages
Het voorstel belooft niet zonder microsimulatie dat exact 71%, 75% of 80% van een bepaalde groep profiteert. Dat zou schijnprecisie zijn.
Wel geldt als ontwerpdoel dat een brede meerderheid van burgers én actieve ondernemers voordeel heeft of financieel nagenoeg neutraal uitkomt. De exacte percentages worden vóór invoering onafhankelijk berekend en gepubliceerd.
33. Vier verdelingstoetsen
- Meerderheidstoets: welk percentage gaat erop vooruit, blijft ongeveer gelijk of gaat erop achteruit?
- Inkomenstoets: wat gebeurt er per inkomensdeciel?
- Vermogenstoets: wat gebeurt er per vermogensdeciel, waarbij de hoogste 10% verder wordt opgesplitst?
- Verkrijgingstoets: wat gebeurt er bij verschillende cumulatieve levenslange verkrijgingen?
Daarbij moet zichtbaar worden dat iemand met een afbetaald huis en bescheiden pensioenvermogen economisch iets heel anders is dan iemand met honderden miljoenen aan financiële bezittingen.
34. De ondernemerstoets
Voor ondernemers worden de effecten afzonderlijk gepubliceerd. Niet alleen de gemiddelde ondernemer telt; ook de mediane ondernemer moet worden getoond.
Er komt een uitsplitsing naar zelfstandigen, IB-ondernemers, werkgevers, DGA's, MKB-bedrijven, familiebedrijven en bedrijfsopvolgers. Wanneer regulier ondernemerschap onvoldoende van de terugsluis profiteert, wordt het voorstel aangepast.
Ondernemen is verdienen - en dat moet in de belastingaanslag zichtbaar zijn.
DEEL X - ZEER GROTE VERMOGENS EN DEMOCRATISCHE MACHT
35. Rijkdom is geen belastbaar feit; machtsconcentratie is een maatschappelijk vraagstuk
Rijk zijn is op zichzelf geen belastbaar feit. Iemand die door arbeid, ondernemerschap, investering en risico een groot vermogen opbouwt, wordt niet belast enkel omdat dat vermogen groot is. Werkelijk economisch rendement blijft wel belast.
Dat betekent niet dat extreme vermogensconcentratie maatschappelijk irrelevant is. Wanneer steeds grotere delen van het vermogen duurzaam in handen komen van een zeer kleine groep, kan economische macht zich concentreren. Wanneer die macht vervolgens zonder economische tegenprestatie binnen een beperkte kring wordt overgedragen, kan zij zich over generaties bestendigen.
Een democratische rechtsstaat hoeft rijkdom niet te bestrijden, maar heeft wel belang bij het voorkomen van een samenleving waarin economische macht door overdracht structureel erfelijk of gesloten wordt.
Niet rijkdom, maar duurzame concentratie en overdracht van economische macht kan de democratische gelijkwaardigheid onder druk zetten.
36. Zelf opgebouwd vermogen en verkregen vermogen blijven verschillende feiten
Wie zelf een onderneming opbouwt tot een zeer grote waarde heeft die waarde niet zonder tegenprestatie verkregen. Het enkele bezit daarvan wordt daarom niet zelfstandig belast.
Wanneer die waarde vervolgens door schenking of overlijden overgaat op een nieuwe eigenaar die haar niet zelf heeft gecreëerd, ontstaat voor die ontvanger een verkrijging zonder economische tegenprestatie. Dat is het belastbare feit.
Zelf gecreëerde rijkdom is verdienen. Overgedragen rijkdom is voor de ontvanger verkrijgen.
37. Kinderen, vrienden en andere verkrijgers hebben dezelfde status
Voor de persoonlijke verkrijgingsbelasting maakt het niet uit of vermogen afkomstig is van een ouder, kind, ander familielid, vriend, zakenrelatie, buur of andere natuurlijke persoon.
Een kind heeft geen fiscaal gunstiger of ongunstiger status dan een vriend. De economische gebeurtenis is voor de ontvanger dezelfde: hij verkrijgt vermogen zonder economische tegenprestatie.
Daarom volgt de belasting de verkrijger en niet de relatie tussen gever en ontvanger. Ook wanneer zeer vermogende personen vermogen aan elkaar, aan elkaars kinderen, aan vrienden of aan andere personen binnen dezelfde kring overdragen, blijft iedere daadwerkelijke verkrijging meetellen op de persoonlijke levenslange verkrijgingsrekening.
Kind, vriend of vreemde: gelijke verkrijging, gelijke belasting.
38. Geen ontsnapping door vermogen rond te spelen
Het verdelen van vermogen over verschillende gevers verandert de cumulatieve verkrijgingspositie van de ontvanger niet. Alle relevante verkrijgingen worden op diens persoonlijke levenslange verkrijgingsrekening bij elkaar opgeteld.
Kruiselingse overdrachten, doorgeefconstructies en het gebruik van tussenpersonen worden naar hun economische werkelijkheid beoordeeld. Wanneer een persoon, stichting, vennootschap, trust of andere structuur niet werkelijk vrij over het vermogen kan beschikken en het vermogen economisch voor een ander bestemd is, geldt de uiteindelijke economische ontvanger als verkrijger.
De juridische route kan verschillen. De economische vraag blijft dezelfde: wie heeft uiteindelijk hoeveel vermogen zonder economische tegenprestatie verkregen?
39. Zeer grote verkrijgingen krijgen een concentratietoets
De hoogste tarieven van de verkrijgingsbelasting worden niet uitsluitend beoordeeld op belastingopbrengst. Vóór invoering wordt ook doorgerekend in hoeverre de voorgestelde schijven voorkomen dat extreme vermogensconcentratie zichzelf door grote overdrachten binnen een beperkte groep versterkt.
Daarom worden afzonderlijke scenario's gepubliceerd voor bijvoorbeeld cumulatieve verkrijgingen van €10 miljoen, €50 miljoen, €100 miljoen, €500 miljoen en €1 miljard. Daarbij wordt onderzocht hoeveel vermogen na belasting resteert, hoe gedrag en ontwijking veranderen en hoe snel zeer grote vermogens zich bij verschillende rendementen opnieuw kunnen opbouwen.
Wanneer uit die analyse blijkt dat de voorlopige hoogste schijf van 40% extreme concentratie nauwelijks afremt, kunnen voor uitsluitend zeer grote cumulatieve verkrijgingen aanvullende hogere schijven worden vastgesteld. De percentages worden pas na microsimulatie, juridische toetsing en analyse van gedragseffecten definitief bepaald.
40. Geen maximumvermogen
Het doel is niet om wettelijk te bepalen hoeveel vermogen iemand maximaal mag bezitten. Wie door ondernemerschap, innovatie, investering of andere economische activiteit zeer grote waarde creëert, mag daardoor zeer vermogend worden.
De grens wordt niet getrokken bij bezit, maar bij een nieuwe verkrijging zonder economische tegenprestatie. Naarmate iemand gedurende zijn leven grotere hoeveelheden vermogen op die manier verkrijgt, kan een groter deel daarvan als belastingbijdrage worden gevraagd.
Geen plafond op wat iemand zelf kan opbouwen. Wel progressieve belasting wanneer zeer grote vermogens zonder tegenprestatie naar een nieuwe eigenaar overgaan.
41. Democratische macht vereist meer dan belastingbeleid
Belastingbeleid alleen kan ongewenste machtsconcentratie niet oplossen. De verkrijgingsbelasting heeft een beperktere functie: voorkomen dat het belastingstelsel zelf zeer grote overdrachten binnen een kleine kring faciliteert en daarmee de concentratie van economische macht van generatie op generatie versterkt.
Andere democratische waarborgen vallen buiten de fiscale kern van dit voorstel en moeten afzonderlijk worden uitgewerkt.
Rijkdom mag worden opgebouwd. Economische macht mag niet door het belastingstelsel tot een erfelijk of gesloten privilege worden gemaakt.
DEEL XI - INVOERING
42. Geen terugwerkende levenslange administratie
Bij invoering wordt niet geprobeerd alle schenkingen en erfenissen uit het verleden opnieuw te reconstrueren. De persoonlijke verkrijgingsrekening begint op een wettelijk vastgesteld moment.
Bestaande definitief toegekende fiscale rechten worden in beginsel gerespecteerd. Tegelijk kunnen vanaf de formele aankondiging gerichte maatregelen nodig zijn om massale anticipatieschenkingen te voorkomen.
43. Eerst rekenen, dan tarieven vaststellen
Het voorstel bevat een richting en voorlopige tarieven, maar pretendeert niet dat alle bedragen al definitief zijn. Vóór invoering moet een microsimulatie worden uitgevoerd met representatieve gegevens over onder meer inkomen, vermogen, eigen woning, Box 1, Box 2, Box 3, ondernemerschap, rechtsvorm, schenkingen, erfenissen en huishoudsamenstelling.
Daarmee worden het huidige stelsel en dit voorstel huishouden voor huishouden en ondernemer voor ondernemer vergeleken. Ook de concentratietoets voor zeer grote verkrijgingen maakt daarvan deel uit. Pas daarna worden tarieven en schijfgrenzen definitief vastgesteld.
DEEL XII - DE MAATSCHAPPELIJKE RUIL
44. Wat vragen we van burgers?
- Wie werkt, houdt meer over.
- Wie onderneemt en zelf waarde creëert, houdt meer over.
- Wie spaart of vermogen bezit, betaalt geen jaarlijkse belasting alleen vanwege dat bezit.
- Wie werkelijk rendement behaalt, betaalt daarover belasting.
- Wie een klein bedrag geschonken krijgt of erft, wordt grotendeels ontzien.
- Wie zonder tegenprestatie honderdduizenden of miljoenen verkrijgt, betaalt progressief meer.
- Voor de belasting maakt het niet uit of de gever familie, vriend of vreemde is.
- Wie een bedrijf verkrijgt hoeft dat niet te verkopen alleen om onmiddellijk belasting te kunnen betalen, maar de verkrijging wordt ook niet automatisch belastingvrij.
45. Wat verandert fundamenteel?
Het stelsel probeert niet langer vooral vast te stellen hoeveel iemand heeft. Het stelt drie andere vragen:
- Wat heeft u zelf economisch verdiend of gecreëerd?
- Wat heeft uw vermogen werkelijk opgebracht?
- Wat heeft u zonder economische tegenprestatie van een ander verkregen?
Daarop wordt de belastingheffing gebouwd.
46. Slot
Van verkrijgen naar verdienen is geen voorstel om rijkdom te bestraffen en evenmin een voorstel om erfenissen onmogelijk te maken. Het is een voorstel om de belastingdruk anders te verdelen.
Mensen die door arbeid en ondernemerschap economische waarde creëren, moeten daarvan meer kunnen behouden. Vermogen mag worden opgebouwd en behouden zonder jaarlijkse belasting uitsluitend vanwege het bestaan ervan. Werkelijk economisch rendement blijft belast.
Wanneer grote hoeveelheden vermogen zonder economische tegenprestatie op een nieuwe eigenaar overgaan, kan die verkrijger een grotere bijdrage leveren. Daarbij maakt het niet uit of de gever een ouder, kind, vriend of andere persoon is. De opbrengst wordt niet gebruikt om de overheid structureel groter te maken, maar gaat terug naar degenen die werken en ondernemen.
Belast minder wat mensen zelf verdienen en creëren, belast wat vermogen werkelijk opbrengt, belast niet het enkele bezit ervan en belast substantiële vermogensoverdrachten zonder economische tegenprestatie progressief bij degene die ze ontvangt.
Werken. Ondernemen. Voldoende winst of rendement opleveren. Verkrijgen.
Ieder wordt belast naar zijn eigen economische betekenis.