VAN KRIJGEN NAAR VERDIENEN

 

Voorstel voor een eenvoudiger en evenwichtiger Nederlands belastingstelsel

 

Budgetneutraal: minder belasting op arbeid en ondernemerschap, meer belasting op grote verkrijgingen zonder tegenprestatie.

 

Niet links tegen rechts, maar samen voor een vrije en democratische rechtsstaat.

 

 

Verkorte versie van het voorstel voor een eenvoudiger en evenwichtiger Nederlands belastingstelsel

1. De maatschappelijke ruil

Het voorstel maakt een principieel onderscheid tussen vermogen dat iemand zelf verdient of opbouwt, het werkelijke rendement daarop, het enkele bezit van vermogen en vermogen dat zonder economische tegenprestatie wordt verkregen. Zelf verdienen, ondernemen en werk creëren worden minder zwaar belast. Het enkele bezit van vermogen wordt niet als zelfstandig belastbaar feit behandeld. Werkelijk economisch rendement blijft belast. Grote schenkingen en erfenissen worden zwaarder belast bij de ontvanger.

De overheid houdt de structurele extra opbrengst niet. Iedere structurele netto-meeropbrengst wordt volledig teruggesluisd naar lagere lasten op arbeid en ondernemerschap. Daarmee is het model in opzet budgetneutraal: de belastingmix verschuift van economische prestatie naar grote verkrijgingen zonder tegenprestatie.

Kernregel: vrijheid om vermogen op te bouwen; geen algemene belasting uitsluitend op bezit; belasting over werkelijk rendement; een grotere bijdrage bij grote verkrijgingen zonder tegenprestatie; en iedere structurele extra euro terug naar werken en ondernemen.

2. Werken en ondernemen moeten meer lonen

De structurele opbrengst van de nieuwe verkrijgingsbelasting wordt eerst vastgesteld en pas daarna teruggegeven. De voorkeursroute is een 60/40-verdeling: 60% voor lagere lasten op arbeid en ondernemerschap aan de inkomenskant en 40% voor lagere werkgeverslasten. Bij €5 miljard bewezen structurele netto-meeropbrengst is dat indicatief €3 miljard respectievelijk €2 miljard. Het bedrag van €5 miljard is een rekenscenario, geen vooraf beschikbare opbrengst.

De 60/40-verhouding is niet onaantastbaar. Ook 50/50 en 70/30 worden doorgerekend. De uiteindelijke verdeling moet worden gekozen op basis van netto arbeidsinkomen, marginale belastingdruk, werkgelegenheid, ondernemerschap, investeringen en concurrentiekracht. Definitieve Box-1-tarieven worden daarom niet vooraf vastgezet maar volgen uit onafhankelijke microsimulatie en de werkelijk bewezen structurele opbrengst.

Ondernemersgarantie

De lastenverlaging voor werkenden mag niet worden gefinancierd door een hogere structurele belastingdruk op normaal ondernemerschap, werkgevers, productieve investeringen of het aannemen van personeel. Zelfstandigen, IB-ondernemers, DGA’s, kleine werkgevers, MKB-bedrijven, familiebedrijven en bedrijfsopvolgers worden afzonderlijk doorgerekend. Vergelijkbare economische prestaties moeten zoveel mogelijk vergelijkbaar worden belast, ongeacht rechtsvorm.

 

3. Vermogen: werkelijk rendement, geen algemene vermogensbelasting

Rijk zijn is in het model op zichzelf geen belastbaar feit. Box 3 wordt structureel ingericht als een heffing over werkelijk economisch rendement. Bij liquide en objectief waardeerbare bezittingen gaat het om rente, dividend en meetbare waardeveranderingen, verminderd met direct toerekenbare kosten. Voor moeilijk waardeerbare illiquide bezittingen kan belastingheffing bij realisatie plaatsvinden. Verliezen kunnen worden verrekend.

De eigen woning blijft buiten de normale Box-3-systematiek. Een theoretische jaarlijkse waardestijging van de woning waarin iemand woont wordt niet als beleggingsrendement belast. Tweede woningen en beleggingsvastgoed vallen wel onder de regels voor werkelijk rendement.

4. Eén persoonlijke verkrijgingsbelasting

Schenk- en erfbelasting worden samengebracht in één persoonlijke verkrijgingsbelasting. De ontvanger staat centraal. Iedere persoon krijgt een levenslange verkrijgingsrekening waarop substantiële schenkingen en erfenissen cumulatief worden bijgehouden. De progressie wordt dus bepaald door wat iemand gedurende zijn leven zonder economische tegenprestatie ontvangt, niet door de familieband met de gever of erflater.

Cumulatieve levenslange verkrijging met voorlopig marginaal tarief:
€0 – €25.000: 0%
€25.000 – €100.000: 10%
€100.000 – €250.000: 15%
€250.000 – €1 miljoen: 20%
€1 – €5 miljoen: 30%
Meer dan €5 miljoen: 40%

De eerste €25.000 is levenslang tegen 0% belast; de grens begint dus niet opnieuw bij iedere schenker. De tarieven en grenzen zijn voorlopig en worden voor invoering doorgerekend. De relatie tussen gever en ontvanger bepaalt in beginsel niet het tarief. Bestaand eigen vermogen van de ontvanger vormt evenmin een extra grondslag.

Illustratief volgt uit deze schijven bij een eerste cumulatieve verkrijging van €100.000 een belasting van €7.500; bij €500.000 €80.000; bij €2 miljoen €480.000; en bij €10 miljoen €3,38 miljoen.

 

 

5. Bedrijfsopvolging: claim behouden, continuïteit beschermen

Een familiebedrijf wordt niet automatisch grotendeels belastingvrij overgedragen. De onderneming wordt op going-concernbasis gewaardeerd en de persoonlijke verkrijgingsbelasting wordt vastgesteld. Het verschil met een liquide erfenis zit vervolgens in het betalingstempo: een gezonde onderneming hoeft niet uitsluitend vanwege een liquiditeitstekort te worden verkocht.

De robuuste continuïteitsregeling werkt met drie niveaus. Een standaardregeling kan maximaal 10 jaar lopen. Bij aantoonbare illiquiditeit en continuïteitsrisico kan maximaal 20 jaar worden toegestaan. Alleen bij uitzonderlijk illiquide actieve ondernemingen kan een termijn tot maximaal 30 jaar worden gebruikt. Hoe langer het uitstel, hoe zwaarder de noodzaak moet worden aangetoond.

Bij langere regelingen kan de aflossing gedeeltelijk aansluiten bij vrije kasstroom, winst, noodzakelijke investeringen en dividend. De belastingclaim wordt niet kwijtgescholden. Over uitstel wordt passende rente berekend. Grote dividenduitkeringen, verkoop, onttrekking van beschermd ondernemingsvermogen of omzetting in passief beleggingsvermogen kunnen tot versnelde aflossing leiden. Alleen reëel ondernemingsvermogen krijgt continuïteitsbescherming.

Essentie: gelijke belastingplicht waar de economische verkrijging vergelijkbaar is, maar een betalingstempo dat rekening houdt met de liquiditeit en continuïteit van een actieve onderneming.

6. Budgetneutraliteit en het vermogensoverdrachtsdividend

Van iedere structurele netto-meeropbrengst wordt 100% teruggegeven via lagere lasten op arbeid en ondernemerschap. Netto betekent: na gedragseffecten, uitvoeringskosten, ontwijking, betalingsuitstel en oninbaarheid. Een opgelegde belastingclaim is dus niet automatisch geld dat onmiddellijk kan worden teruggesluisd.

Door vergrijzing en vermogensopbouw kunnen in de komende decennia grotere vermogens worden overgedragen. Wanneer de structurele reële netto-opbrengst daardoor stijgt, ontstaat een vermogensoverdrachtsdividend: ook die extra structurele opbrengst wordt teruggegeven aan werken en ondernemen. Incidentele pieken worden niet direct structureel uitgegeven.

 

 

7. Langetermijntoets tot 2045

De financiële bijlage werkt met scenario’s voor een oplopende erfsom tot 2045. Die scenario’s zijn stresstests en geen voorspellingen. Voor de uiteindelijke raming moeten demografie, sterfte, woning- en financieel vermogen, ondernemingsvermogen, consumptie en zorg op oudere leeftijd, schenkingen bij leven, gedrag, emigratie, ontwijking en uitgestelde betaling gezamenlijk worden gemodelleerd.

Voor bedrijfsopvolging worden drie bedragen strikt gescheiden: (1) de juridisch vastgestelde belastingclaim, (2) de feitelijke jaarlijkse kasontvangst en (3) de structureel terugsluisbare netto-opbrengst. Een claim die over twintig of dertig jaar wordt betaald, mag niet in het eerste jaar volledig worden gebruikt voor permanente belastingverlaging.

8. Invoering alleen na onafhankelijke toets

Het model legt de richting vast, maar presenteert voorlopige tarieven en rekenscenario’s niet als bewezen opbrengsten. Voor invoering volgt een representatieve microsimulatie met gegevens over inkomen, vermogen, eigen woning, Box 1, Box 2 en Box 3, ondernemerschap en rechtsvorm, schenkingen en erfenissen en huishoudsamenstelling.

Daarbij worden minstens vier verdelingstoetsen gepubliceerd: het aandeel huishoudens dat vooruitgaat, neutraal blijft of achteruitgaat; effecten per inkomensdeciel; effecten per vermogensdeciel; en effecten naar omvang van cumulatieve verkrijgingen. Voor ondernemers komt daarnaast een afzonderlijke toets voor zelfstandigen, IB-ondernemers, werkgevers, DGA’s, MKB, familiebedrijven en bedrijfsopvolgers.

9. Maatschappelijke betekenis

Het model beoogt de belastingmix te verschuiven van economische prestatie naar grote vermogensverkrijgingen zonder tegenprestatie. Als de geraamde opbrengsten en gedragseffecten dit bevestigen, kan dat ruimte geven om werken, ondernemen en het creëren van werk lichter te belasten. De 100%-terugsluis zorgt er daarbij voor dat een hogere structurele opbrengst uit verkrijgingen niet als vrij besteedbare meevaller voor de overheid wordt behandeld.

De persoonlijke levenslange verkrijgingsbelasting maakt onderscheid tussen zelf economische waarde creëren en grote vermogens zonder tegenprestatie ontvangen. Kleine verkrijgingen worden ontzien en de bijdrage loopt op naarmate iemand gedurende het leven meer ontvangt. Tegelijk blijft het enkele bezit van vermogen buiten de heffing als zelfstandig belastbaar feit en wordt bij vermogen in beginsel het werkelijke economische rendement belast.

Voor familiebedrijven probeert het model belastingheffing en bedrijfscontinuïteit te combineren. De belastingclaim blijft bestaan, maar een aantoonbaar illiquide gezonde onderneming kan via de 10/20/30-jaarsregeling meer tijd krijgen om te betalen. Dit sluit aan bij de gedachte dat liquiditeitsproblemen eerder met uitstel dan met een permanente vrijstelling kunnen worden opgevangen. De precieze gevolgen voor investeringen, financiering en werkgelegenheid moeten vóór invoering afzonderlijk worden getoetst.

Op langere termijn kan een stijgende structurele netto-opbrengst uit vermogensoverdrachten leiden tot een vermogensoverdrachtsdividend: extra ruimte voor lagere lasten op arbeid en ondernemerschap. Het beoogde patroon is daarmee: vermogen wordt opgebouwd, later overgedragen, grote verkrijgingen leveren belastingopbrengst op en die structurele netto-opbrengst wordt gebruikt om de belasting op nieuwe economische prestatie te verlagen. Dit is een ontwerpdoel; de omvang van het effect wordt niet verondersteld maar moet blijken uit onafhankelijke microsimulatie en uitvoeringstoetsen.

Kern: minder belasting op wat mensen zelf verdienen en creëren, geen algemene heffing op bezit, en een grotere bijdrage wanneer grote vermogens zonder tegenprestatie worden verkregen.