Deugen in tijden van erfenis: Een Pikettyaanse blik op morele ambivalentie
In een samenleving waarin vermogensoverdracht binnen families de ongelijkheid vergroot, rijst een prikkelende morele vraag: deugen mensen die hun bezit binnen de bloedlijn houden
Thomas Piketty, de Franse econoom die de vermogensverhoudingen van de 21ste eeuw doorgrondt, stelt dat erfvermogen het fundament is van een nieuwe aristocratie. In Kapitaal in de 21ste eeuw laat hij zien hoe het rendement op vermogen systematisch groter is dan economische groei (r > g), waardoor bezit zich opstapelt bij een kleine elite. Erfenissen dragen hier substantieel aan bij en ondermijnen het idee van meritocratie: talent en inspanning tellen minder dan afkomst.
Toch is de keuze om geld na te laten aan je kinderen diep menselijk. Het is een uiting van zorg, loyaliteit en verantwoordelijkheid. Zelfs wie Piketty leest, zal aarzelen om zijn eigen kinderen te onterven ten bate van de samenleving. Dit toont een klassieke spanning tussen micro-moraal (familie, naasten) en macro-moraal (gemeenschappelijk belang).
Maar de vraag “deugen deze mensen?” impliceert een heldere morele meetlat—en juist daar wringt het. In Rutger Bregmans stelling “bijna alle mensen deugen” zit hoop, maar ook vaagheid. Want deugen zonder duidelijke definitie verwordt tot een retorische sluier. Wie binnen het systeem handelt, reproduceert misschien onrecht, maar is zelden puur kwaadaardig.
Piketty zou stellen: de individuele intentie is begrijpelijk, maar het structurele effect is schadelijk. Moraliteit is dan niet enkel een kwestie van persoonlijke keuze, maar van collectieve systeemontwerp. Niet de erflater is het probleem, maar het belastingbeleid dat zijn keuze faciliteert zonder tegenwicht.
Conclusie: wie geld nalaat aan zijn kinderen deugt misschien in de privésfeer—maar de vraag is of onze instituties dat gedrag helpen kantelen naar rechtvaardigheid voor allen. Piketty biedt daarin een alternatief: progressieve erfbelasting als een moreel én economisch correctiemechanisme. Deugen is dan niet een oordeel over personen, maar een pleidooi voor structuren die solidariteit mogelijk maken.
Daarbij is het ook een pleidooi om alle talent in de samenleving een eerlijke kans te geven zich te ontplooien—ongeacht afkomst. Want als vermogen zich concentreert bij een kleine groep, wordt het speelveld ongelijk en blijven potenties onbenut. Een rechtvaardiger systeem is niet alleen moreel wenselijk, maar ook sociaal en economisch vruchtbaar.
Een beleid dat zowel links als rechts kan aanspreken, zou kunnen bestaan uit een combinatie van progressieve erfbelasting en gerichte investeringen in talentontwikkeling. Enerzijds wordt excessieve vermogensconcentratie afgeremd via een stelsel waarin grotere erfenissen zwaarder belast worden, met vrijstellingen voor kleinere nalatenschappen. Anderzijds worden de opbrengsten uit deze belasting geoormerkt voor publieke investeringen in onderwijs, ondernemerschap en innovatie—zodat elk individu, ongeacht afkomst, toegang heeft tot kansen om zich te ontplooien.
Voor links biedt dit beleid rechtvaardigheid en herverdeling; voor rechts biedt het ruimte voor individuele ontplooiing, economische dynamiek en het behoud van familiale verantwoordelijkheid binnen redelijke grenzen. Zo ontstaat een brug tussen micro-moraal en macro-moraal: een systeem waarin zorg voor naasten samengaat met solidariteit voor de samenleving als geheel.